In gesprek met kinderen thema: Diversiteit

Een Socratisch gesprek over verschillen en gelijkheid

Diversiteit, iedere school heeft er op zijn eigen manier mee te maken. Het begrip wordt al snel geassocieerd met mensen met een andere godsdienst of een niet Nederlandse – of niet Westerse – achtergrond. Maar bij diversiteit kan ook gedacht worden aan sociaal-economische tegenstellingen, of verschillen in gezinssamenstellingen. Dit brengt mee dat er verschillende waardenstelsels met elkaar kunnen botsen. In een pluriforme samenleving is het essentieel dat kinderen leren omgaan met mensen die  andere overtuigingen hebben, en dat ze leren hoe ze om kunnen gaan met eventuele conflicten die daaruit voortvloeien.

Tegenwoordig wordt in het kader van het leren omgaan met verschillen steeds vaker de waarde ingezien van socratische gesprekken. Kenmerkend voor de socratische methode is dat leerlingen gestimuleerd worden om zélf na te denken en te argumenteren vanuit hun concrete ervaringen. Alleen de aard van het argument telt.  Autoriteit, traditie, sociale klasse of groep zijn niet zomaar doorslaggevend. Op die manier leert een kind onder woorden te brengen en te beargumenteren wat hij of zij zelf van iets vindt, en op de waarden die hij of zij heeft te reflecteren. Dit bevordert niet alleen zelfkennis, maar ook wederzijds respect, en dat is in een klas en in een maatschappij met veel diversiteit van essentieel belang.  Maar waar komt dat socratische gesprek vandaan? Hoe werkt het op school? En aan de keukentafel? Daar gaan we hieronder nader op in.

Aristoteles: verschillen in de school zijn belangrijk

Diversiteit is op dit moment een modewoord. Maar het verschijnsel is niet nieuw, net zomin als de vraag hoe onderwijs er voor kan zorgen dat  leerlingen met verschillende achtergronden goed met elkaar leren omgaan.  De Griekse filosoof Aristoteles (384—322 v.Chr.) dacht hier ook al over na. Met het oog op het algemeen belang van een vreedzame en stabiele samenleving was hij tegen privé-onderwijs; hij pleitte er juist voor gemeenschappelijke scholing voor verschillende bevolkingsgroepen. Aristoteles wilde hiermee bereiken dat kinderen, die elkaar anders niet zouden ontmoeten vanwege sociale, economische en culturele tegenstellingen, elkaar op school wel tegenkomen. Hij ging er van uit dat als mensen elkaar leren kennen het onderling wantrouwen weggenomen kan worden. Er kunnen zelfs vriendschappen tussen mensen uit verschillende groepen ontstaan. Hier heeft iedereen baat bij, zowel de mensen zelf als de samenleving als geheel.

Er valt best veel te zeggen voor de visie van Aristoteles, al is hij misschien erg optimistisch. Het enkele feit dat leerlingen met verschillende achtergronden en opvattingen bij elkaar in de klas zitten betekent immers nog niet automatisch dat ze ook goed met elkaar omgaan en elkaar echt leren kennen. Daarvoor is nodig dat leerlingen geïnteresseerd zijn in de ander, dat ze een open houding aannemen en dat ze leren op een goede manier met verschillen om te gaan. Hoe kunnen ouders en leraren dit bevorderen?

Op zoek naar waarheid en inzicht

Op dat gebied kunnen we iets leren van  een andere Griekse filosoof, Socrates (469-399 v.Chr.). Hij stond er om bekend dat hij voortdurend op zoek was naar waarheid en inzicht. Hij ontkende dat hij zelf wijsheid bezat en zocht in dialogen een verklaring van zijn gesprekspartners over hun overtuigingen. Dat deed hij door een kritische ondervraging van zijn gesprekspartner, waarbij hij vaak reageerde op iets in het verhaal van de ander dat op het eerste gezicht vanzelfsprekend lijkt. Socrates wilde zijn gesprekspartners, en met name de jeugd, zélf tot nadenken brengen, door vragen te stellen en hun uitspraken te toetsen op hun geldigheid: klopt het wel wat hier gezegd wordt? In veel van zijn dialogen wordt een poging gedaan een deugd of een abstract begrip te definiëren. Het is immers belangrijk eerst duidelijk te hebben waar het precies over gaat. Daarom worden vragen gesteld als “wat is deugd of voortreffelijkheid?” of “wat is heiligheid of vroomheid?”. Vaak leiden de dialogen niet tot een sluitend antwoord maar eindigen ze in een zogeheten aporie. Letterlijk betekent aporie: geen uitweg zien. Je komt vast te zitten in je denken. Vaak kom je er in de dialoog achter wat  niet klopt in je redeneringen. Dat je dacht dat je iets wist, maar nu toe moet geven dat het ingewikkelder ligt.  Daarmee ben je wel verder gekomen in je denken!

Bij zijn gesprekspartners gaf dit vaak een gevoel van ongemak, maar het was waar Socrates blij van werd: mensen die overtuigd waren van hun eigen gelijk in laten zien dat dat gelijk helemaal niet zo voor zich spreekt. Want pas dan kun je iets zien dat daar voor niet in je denken paste.

Een socratisch gesprek in de klas

Het socratisch gesprek begint er vaak mee dat  één van de deelnemers een openingsvraag stelt, die door alle anderen wordt beantwoord. Daarop volgt een welwillende maar kritische bevraging van wat er is gezegd. Ook nu nog is het belangrijk om erachter te komen waar je het precies over hebt. Om een vraag te kunnen beantwoorden zoals: “zijn alle mensen gelijk?” moet eerst een antwoord worden gezocht op de vraag: “wat is gelijkheid?”. Dat kun je bij voorbeeld onderzoeken door allemaal een ervaring te beschrijven waar gelijkheid een rol in speelde. Vanuit die ervaringen kun je samen benoemen wat we wel bedoelen met gelijkheid, en wat niet. Vervolgens kunnen we ook samen bedenken hoe we met elkaar in de klas vorm geven aan die gelijkheid. Welk gedrag hoort er bij? Wat past niet? Willen we dat iedereen gelijk is  of ligt het genuanceerder?

Het is goed om te benadrukken dat het er in een socratisch gesprek niet om gaat punten te scoren of gelijk te krijgen (het is geen discussie of debat), maar om samen te onderzoeken hoe het zit, en op grond daarvan tot  begrip van het vraagstuk en tot consensus te komen. Door de onderzoekende opzet kun je ook de stillere leerlingen er goed bij betrekken. Alle perspectieven en ervaringen zijn immers nodig om tot inzicht te komen!

Aan de keukentafel

Een gesprek dat socratisch van aard is kan ook heel goed thuis aan de keukentafel plaatsvinden. Mijn eigen ervaring  van toen onze kinderen jong waren is, dat ze met de meest uiteenlopende vragen thuis kwamen. Daar waren regelmatig vragen bij, waar ik ook niet meteen een antwoord op had. Ik vond het geweldig om dan door middel van het stellen van open vragen aan elkaar samen op zoek te gaan naar een antwoord.

Ingewikkeld? Ach. Als ouder heb je misschien de neiging om meteen je eigen mening te geven als je kind een vraagt stelt (ik tenminste vaak wel), maar de kunst is om dat niet te doen en in plaats daarvan je kind vragen te stellen, en daarop ook door te vragen. Het mooie is dat je je als ouder net zo kunt opstellen als Socrates en dus kunt beginnen met te zeggen dat je het niet weet. Daarna heb je eigenlijk alleen een open en onderzoekende houding nodig. Open vragen werken daarbij het beste. Een open vraag is eigenlijk altijd een variant op: “kun je me er meer over vertellen?” Als je kinderen dan met een voorbeeld komen, of een ervaring, dan kun je daar ook een ervaring naast zetten. Je kunt samen kijken of je een voorlopige conclusie kunt formuleren. Die kun je vervolgens ook nog onderzoeken. Is dit altijd waar, wanneer is het niet waar? Zo kan een gesprek tot mooie en verrassende inzichten leiden waar niet alleen je kind, maar ook jij als ouder van leert.

Als het gaat over de vraag van omgaan met verschillen kun je dan nog wel eens voor verrassingen komen te staan. Kinderen blijken vaak niet zo’n probleem te hebben met de verschillen. De verschillen behoren voor hen tot de normale situatie. “Het zijn de volwassen mensen die er een probleem van maken” vertelde een meisje eens. Dat is wel het risico van de socratische houding: voor je het weet moet je ook zelf aan de slag met je eigen vooronderstellingen en kijken wat je zelf in praktijk brengt.

Op school ontmoeten ook de ouders elkaar, met alle verschillen. Misschien zouden we eens moeten beginnen met kritisch voor onszelf te onderzoeken hoe we daar mee omgaan, hoe we de verschillen uit de weg gaan of juist problematiseren. Werkelijke interesse helpt om met elkaar in een gesprek te komen waarin de verschillen er kunnen zijn, maar we niet gelijk in de zin van hetzelfde hoeven te worden. Op die manier kan een gesprek over gelijkheid en diversiteit voor alle gesprekspartners verrijkend zijn. Fascinerend!

Fenneke Zeldenrust

 

Afbeelding: © Andrey Popov | Dreamstime.com

Gerelateerde artikelen